Biologische agentia
Met ‘biologische agentia’ worden verschillende micro-organismen bedoeld. Het zijn kleine organismen zoals virussen, bacteriën, schimmels of parasieten. Ze kunnen een infectie, allergie of vergiftiging veroorzaken. In een aantal beroepen komen werkenden dagelijks in aanraking met biologische agentia. Zowel werkgever als werknemer moet maatregelen nemen om de risico’s van het werken met biologische agentia te verkleinen. Bekijk de onderwerpen voor meer informatie over biologische agentia.
Meer weten?
Heeft u vragen over de producten en/of diensten van 247veiligwerken? Stel uw vraag op dit formulier. Afhankelijk van uw vraag, krijgt u binnen 24 uur een reactie.
Wilt u direct een medewerker spreken? Stel dan uw vraag via WhatsApp: 06 5122 8460. Dat kan 7 dagen in de week. Tussen 9.00 uur en 20.00 uur.
Biologische agentia en kwetsbare groepen
Niet iedereen wordt even snel ziek bij blootstelling aan biologische agentia. Dat kan met aangeboren eigenschappen te maken hebben of met eigenschappen die op latere leeftijd naar voren komen.
Iedereen is anders
Het uitgangspunt van de Arbowet is dat de belasting moet worden aangepast aan de mate waarin iemand vatbaar is. Bij andere arborisico’s bestaan wettelijke normen die een algemene toegestane belasting aangeven, bijvoorbeeld maximaal aanvaarde waarden wat betreft blootstelling aan lawaai of straling. Deze zijn zo vastgesteld dat ze een grens aangeven waarbij de meerderheid van alle mensen geen gezondheidsschade ondervindt. Zulke grenswaarden bestaan niet bij het risico biologische agentia.
Voorbeelden van kwetsbare groepen
- Zwangeren – Zwangere werknemers zijn zeer gevoelig als het gaat om biologische agentia (zie ook ‘ Biologische agentia en zwangerschap’). Niet alleen de moeder maar ook het toekomstige kind kan blijvende gezondheidsschade oplopen als de moeder op het werk een infectieziekte oploopt. Het is bijvoorbeeld verboden voor een zwangere werknemer om werkzaamheden te verrichten waarbij zij kan worden blootgesteld aan de biologische agentia Toxoplasma en Rubellavirus, tenzij is gebleken dat zij hiervoor immuun is. Zie Arbobesluit artikel 4.109.
- Jongeren – Jongere werknemers zijn nog niet volgroeid. Zo is hun immuunsysteem nog niet volledig op peil, missen zij vaak nog de specifieke afweer tegen bepaalde organismen. Een ontsteking kan extra nadelige effecten hebben, omdat er groeiafwijkingen kunnen ontstaan. Daarnaast hebben jongeren meer kans op het oplopen van kleine verwondingen, omdat de coördinatie van de spieren nog niet optimaal is en ze veel werkzaamheden nog goed in de vingers moeten krijgen. Jeugdige werknemers mogen niet werken met of niet worden blootgesteld aan biologische agentia van categorie 3 of 4. Zie Arbobesluit artikel 4.105.
- Oudere werknemer – Bij de oudere werknemer is er weliswaar vaak sprake van een specifieke afweer tegen vele organismen, maar is de algemene afweer vaak lager. Sommige ziekten, zoals rodehond en de bof, zijn als kinderziekte vrij ongevaarlijk, maar als ze op volwassen of oudere leeftijd worden opgelopen, kunnen de gevolgen wel degelijk ernstig zijn.
- Werknemers met een zwak immuunsysteem – Personen met een verzwakt afweersysteem kunnen geheel anders reageren op een blootstelling aan biologische agentia. Zeer vergaande maatregelen kunnen bij deze personen nodig zijn, afhankelijk van de staat van het afweersysteem.
- Mensen met luchtweg- of allergische klachten – Medewerkers kunnen een aanleg hebben voor overgevoeligheden en/of allergieën. Personen met een dergelijke aanleg kunnen heftiger, reageren op biologische agentia. Voorbeelden zijn kattenkrabziekte en papegaaienziekte.
Preventie
De Arbowet verplicht werkgevers aandacht te besteden aan de risico’s die kwetsbare werknemers ondervinden door blootstelling aan biologische agentia. Problemen kunnen worden voorkomen door een goede preventie:
- de uitgangspunten van de arbeidshygiënische strategie;
- de uitgangspunten van de risico inventarisatie en -evaluatie (RI&E);
- het vermijden van contact met zieke werknemers;
- een tijdige vaccinatie.
Zie ook
Biologische agentia in de wet
Wat er moet gebeuren als er gewerkt wordt met biologische agentia, wordt beschreven in hoofdstuk 4, afdeling 9 van het Arbobesluit.
Blootstelling
Als onderdeel van de risico inventarisatie en -evaluatie (RI&E) moet een werkgever de blootstelling aan biologische agentia beoordelen (Arbobesluit 4.85). Dit betekent dat de aard, mate en duur van de blootstelling wordt beoordeeld met als doel het gevaar voor de werknemer te kunnen bepalen.
In de inventarisatie moeten specifiek worden benoemd:
- gegevens van de categorieën van de biologische agentia waaraan de werknemers kunnen worden blootgesteld;
- vaststelling van de aard, mate en duur van de blootstelling;
- informatie over ziekten die werknemers kunnen oplopen of al hebben opgelopen;
- mogelijke allergische- of vergiftigingseffecten die de werknemers ondervinden of kunnen ondervinden;
- resultaten van specifieke arbeidsgezondheidskundige onderzoeken;
- al dan niet voorgeschreven beschermende maatregelen;
- medewerkers die blootgesteld (kunnen) worden (mogelijke ziekten voor werknemers en risicogroepen).
Voorlichting, instructie en goed intern toezicht zijn verplicht. Mocht er toch een besmetting optreden, dan moet dit worden geregistreerd. Ziektes die door de besmetting optreden, worden gezien als beroepsziekten.
Categorieën biologische agentia
Biologische agentia worden in het Arbobesluit ingedeeld in vier categorieën. Dit wordt gedaan op basis van besmettelijkheid, mogelijke therapie bij besmetting en de gevolgen van een besmetting. Artikel 4.84 lid 3 van het Arbobesluit onderscheidt – in het kort – de volgende 4 categorieën:
-
- Biologisch agens van categorie 1: een agens waarvan het onwaarschijnlijk is dat het bij de mens een ziekte kan veroorzaken.
- Biologisch agens van categorie 2: een agens dat bij de mens een ziekte kan veroorzaken en een gevaar voor de werknemers kan opleveren. Het is onwaarschijnlijk dat het zich onder de bevolking verspreidt.
- Biologisch agens van categorie 3: een agens dat bij de mens een ernstige ziekte kan veroorzaken en een groot gevaar voor de werknemers kan opleveren. Er is een kans dat het zich onder de bevolking verspreidt.
- Biologisch agens van categorie 4: een agens dat bij de mens een ernstige ziekte veroorzaakt en een groot gevaar voor de werknemers oplevert. Er is een grote kans dat het zich onder de bevolking verspreidt.
- Categorie 1 agentia zijn niet ziekmakend voor de mens. In de 2e categorie zitten de minst schadelijke en in de 4e meest schadelijke biologische agentia.
De indeling van bacteriën, virussen, schimmels en parasieten die geldt binnen de Europese Unie is te vinden in de EG richtlijn 2000/54/EG.
Register bijhouden voor categorie 3 en 4
Als medewerkers blootgesteld kunnen worden aan biologische agentia van de categorie 3 of 4 dan is de werkgever verplicht een register bij te houden ( Arbobesluit artikel 4.90). In dit register wordt per werknemer vastgelegd welke werkzaamheden hij heeft verricht. En, voor zover te bepalen, aan welk biologisch agens of welke biologische agentia hij eventueel is blootgesteld.
Het register moet tot minstens tien jaar na de laatste blootstelling bewaard worden. Als de mogelijke effecten zich pas na langere tijd kunnen openbaren, dan moet het register langer bewaard worden tot maximaal veertig jaar. De werknemer heeft recht op inzage in zijn gegevens uit het register.
Arbeidsgezondheidskundig onderzoek
De werkgever moet de werknemer die met biologische agentia werkt een arbeidsgezondheidskundig onderzoek aanbieden. Mensen kunnen namelijk zeer verschillende lichamelijke reacties hebben op blootstelling.
De werkgever biedt zo’n onderzoek aan:
-
-
-
- bij aanvang van arbeid aan iedere werknemer die kan worden blootgesteld;
- bij arbeid aan iedere werknemer die potentieel is blootgesteld;
- aan iedere werknemer die potentieel is blootgesteld en een infectieziekte heeft opgelopen (zie ook NCVB meldingsplicht);
- aan iedere werknemer die potentieel aan hetzelfde micro-organisme is blootgesteld en (nog) niet is ziek geworden;
- aan iedere werknemer na beëindiging van arbeid met potentiële blootstelling.
-
-
Ook tijdens verzuimbegeleiding en spreekuur moet er specifieke aandacht zijn voor biologische agentia, als deze op het werk kunnen voorkomen.
Genetisch gemodificeerde organismen en certificering
Certificeringseisen in relatie tot biologische agentia zijn verwoord in het Besluit genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer:
-
-
-
- Het toezicht op het werken met genetisch gemodificeerde organismen (GGO’s) moet worden uitgevoerd door een biologische veiligheidsfunctionaris (BVF). De taken en bevoegdheden van een BVF staan beschreven in de Regeling GGO (Besluit genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer).
- Voor laboratoria waar wordt gewekt met GGO’s of biologische agentia categorie 2, 3 of 4, gelden specifieke eisen met betrekking tot de inrichting van het laboratorium. Meer informatie hierover is te vinden in de Regeling GGO en de Richtlijn 2000/54/EG over biologische agentia.
-
-
Arbocatalogi
Meerdere branches hebben voorschriften over biologische agentia opgenomen in hun arbocatalogi. Daarmee onderkennen die branches dat mogelijke blootstelling aan biologische agentia behoren tot de risico’s van de werknemers binnen die branche.
De voorschriften in de arbocatalogi zijn specifiek gericht op de betreffende branche. Werkgevers en werknemers krijgen de op hen gerichte, praktische informatie bij het opzetten en onderhouden van een gezonde en veilige bedrijfsvoering. De voorschriften zijn niet vrijblijvend. De Nederlandse Arbeidsinspectie zal bij inspectie in een sector de regels zoals beschreven in de arbocatologus als referentiekader gebruiken.
Voorbeelden van arbocatalogi van enkele branches zijn:
-
-
-
- Arbocatalogus voor de Verpleeg-, Verzorgingshuizen en Thuiszorg
- Arbocatalogus Kinderopvang en de Arbocatalogus Jeugdzorg
- Arbocatalogus algemene en categorale ziekenhuizen
- Arbocatalogus Uitvaartzorg
- Arbocatalogus Dierenartsenpraktijken
-
-
Andere belangrijke richtlijnen
Voor specifieke blootstellingssituaties aan biologische agentia zijn door deskundigen en beroepsorganisaties richtlijnen opgesteld voor beoefenaars van bepaalde beroepen. Hoewel deze richtlijnen geen wetgeving zijn, zijn ze niet vrijblijvend:
-
-
-
- Landelijke Richtlijn Prikaccidenten – Deze richtlijn beschrijft het uit te voeren beleid na prik-, bijt-, snij- en spataccidenten met bloed en andere lichaamsvloeistoffen.
- Hygiënerichtlijn voor permanente make-up – Deze richtlijn beschrijft op welke wijze volgens de huidige inzichten infecties voorkomen kunnen worden.
- Hygiënerichtlijn voor kinderdagverblijven, peuterspeelzalen en buitenschoolse opvang
- LCI-richtlijnen – De Richtlijnen Infectieziektebestrijding van het LCI, het Landelijk Coördinatiecentrum Infectieziektenbestrijding, zijn bedoeld als ondersteuning voor de dagelijkse GGD-praktijk. Ze bevatten een zeer uitbreide hoeveelheid informatie voor de professional die te maken heeft met infectieziekten.
-
-
Zie ook
Biologische agentia: risicobeoordeling en preventie
Of werknemers daadwerkelijk een risico lopen bij contact met biologische agentia hangt af van een aantal zaken, waaronder natuurlijk het agens zelf, de hoeveelheid biologisch materiaal waaraan men blootgesteld kan worden en onder welke omstandigheden een eventuele blootstelling mogelijk zou kunnen zijn. Dit zijn belangrijke elementen die bijdragen aan een optimaal preventieplan.
Wat moet de werkgever doen?
De werkgever dient een aantal stappen uit te voeren om de juiste omstandigheden te creëren voor werknemers die werken met biologische agentia.
In de richtlijn wordt de werkgever verzocht om:
- een risicoanalyse voor biologische agentia uit te voeren;
- te zorgen voor adequaat medisch toezicht;
- acties te ondernemen om het risico voor de werknemers te beperken door:
- verwijdering of vervanging;
- preventie en beheersing van de blootstelling;
- informatievoorziening en training voor de werknemers.
Beoordeling gezondheidsrisico’s
Bij de risicobeoordeling moeten in elk geval de volgende vragen worden gesteld:
- Aan welke biologische agentia kunnen werknemers worden blootgesteld?
- Welke gezondheidseffecten of ziekten kunnen werknemers oplopen bij deze biologische agentia?
- Hoe komen de werknemers precies met deze biologische agentia in contact en hoe intensief is dit contact (frequentie en in welke mate)?
- Een deskundig oordeel over de gezondheidsrisico’s voor de werknemers als gevolg van blootstelling aan biologische agentia in de werksituatie.
- Zijn er kwetsbare werknemers aanwezig? Spelen leeftijd, medische of functionele beperkingen een rol?
In verschillende sectoren, zoals de gezondheidszorg en de diergeneeskunde, hoort het bij het werk dat niet zeker is of er biologische agentia aanwezig zijn. Dit onzekere risico en de maatregelen die daarvoor genomen moeten worden, moeten in de RI&E worden opgenomen (Arbobesluit 4.97).
Mocht er sprake zijn geweest van een incident of een verandering van processen op de werkvloer, bekijk de analyse dan opnieuw en pas aan waar nodig.
Preventie
De Arbowet verplicht werkgevers aandacht te besteden aan de risico’s die kwetsbare werknemers ondervinden door blootstelling aan biologische agentia. Problemen kunnen worden voorkomen door een goede preventie:
- Vanuit de risicobeoordeling stelt de werkgever een preventieplan op (uitgangspunten van de risico-inventarisatie en -evaluatie (RI&E)).
- De werkgever houdt rekening met de arbeidshygiënische strategie.
- De veiligheidsmaatregelen moeten op het werkproces zijn afgestemd en de werknemers dienen goed te worden getraind in het naleven van veilige arbeidsprocedures.
De benodigde stappen voor het elimineren of reduceren van het risico voor de werknemers zijn afhankelijk van de eigenschappen van de biologische agentia.
(Door)ontwikkeling nieuwe micro-organismen
Er zijn zeer vele verschillende micro-organismen en zij komen zeer verspreid voor. Ook worden er steeds weer nieuwe micro-organismen ontdekt. Denk daarbij aan de nieuwe varianten van de vogelgriep of aan het Schmallenbergvirus. Of oude bekende organismen komen in een ‘’hogere risicovariant’’ voor zoals de drugresistente variant van de TB-bacterie.
Ook het feit dat micro-organismen zich kunnen vermenigvuldigen (of juist afsterven) is van grote invloed op de schatting van het gezondheidsrisico. Vaak is de risicoweging maatwerk, waarbij grote deskundigheid noodzakelijk is.
Samenwerking van belang
In de gezondheidszorg, binnen bedrijven en organisaties moet dan ook consequent worden samengewerkt door bedrijfsarts, arbeidshygiënisten en veiligheidskundige.
Mocht er sprake zijn van volksgezondheidsrisico met mogelijke verspreiding van het micro-organisme, dan is samenwerking met de GGD van belang.
Zie ook
Biologische agentia: wat zijn het?
Met het begrip ‘biologische agentia’ worden kleine levende organismen bedoeld die een infectie, allergie of vergiftiging kunnen veroorzaken. Het zijn voor het blote oog onzichtbare micro-organismen die zich onder bepaalde omstandigheden heel snel kunnen vermeerderen en zijn van een plantaardige of dierlijke herkomst.
Het gaat dus om levende organismen, maar er bestaan ook biologische stoffen die geen levend organisme zijn en toch een risico vormen voor de gezondheid. Denk bijvoorbeeld aan virussen, bacteriën schimmels of parasieten. Onder biologische agentia worden verder verstaan:
- ‘producten’ van dode bacteriën en schimmels (zoals toxines);
- weefselkweek (celcultures);
- prionen (virus-eiwitten die net als virussen infecties kunnen veroorzaken).
Waar komen biologische agentia voor?
Biologische agentia komen in veel beroepen en bedrijfstakken voor. Bijvoorbeeld werk met dieren of dierlijke producten, in de gezondheidszorg, in de schoonmaak, in de afvalverwerkende industrie, maar ook in de voedingsindustrie, de glastuin- en akkerbouw.
Soorten biologische agentia
- Bacteriën – Bacteriën zijn de kleinste ééncellige micro-organismen die zichzelf geheel zelfstandig kunnen vermenigvuldigen door celdeling. Er zijn vele soorten bacteriën in verschillende groottes (0,1 – 20 μm) die in allerlei verschillende omstandigheden kunnen overleven.
- Virussen – Virussen zijn de kleinste micro-organismen (0,01 – 3 μm). Ze zitten simpel in elkaar en hebben levende cellen nodig om zich te vermenigvuldigen. Virussen worden ingedeeld op basis van het soort genetisch materiaal (RNA of DNA), de vorm, de aan- of afwezigheid van een lipide(vet)-coating, de manier waarop het virus werkt in de cel (het retrovirus wordt bijvoorbeeld een onderdeel van het DNA van de gastheer) en nog enkele andere karakteristieken.
- Schimmels en gisten – Schimmels en gisten behoren tot de ‘fungi’ (waar ook paddenstoelen bij horen) en zij planten zich voort via sporen. Schimmels zijn meercellige organismen (2-300 μm) en zijn één van de weinige micro-organismen die met het blote oog zichtbaar zijn. Zij leven van dood organisch materiaal of op levende gastheren. Gisten zijn ééncellige schimmelvormige organismen.
- Prionen – ‘Prion’ is een afgekorte naam voor een proteïne-achtig deeltje dat infecties kan veroorzaken. Een prion is eigenlijk geen micro-organisme, maar een soort eiwit (kleiner dan een virus) dat prionziekten kan veroorzaken, zoals bijvoorbeeld de gekkekoeienziekte. Het is een gemuteerde vorm van een eiwit dat in gezonde hersenen van nature voorkomt. Mogelijk veroorzaakt het gemuteerde eiwit (het prion) ziekten als het in contact komt met het normale eiwit.
- Protozoën – ééncellige diertjes (1-500 μm). Zij kunnen in een gastheer leven en zich daarin voortplanten. Een voorbeeld is de parasiet die door malariamuggen wordt overgedragen en bij de mens malaria kan veroorzaken.
- Genetisch gemodificeerde organismen (GGO’s) – Van veel levende organismen (virussen, bacteriën, planten, etc.) zijn ook kunstmatige vormen mogelijk. Hierbij heeft de mens met behulp van moderne technieken zelf veranderingen aangebracht in de erfelijke eigenschappen van het organisme. Deze ‘genetisch gemodificeerde organismen’ worden wettelijke geregeld door het Besluit Genetisch Gemodificeerde Organismen. Er zijn strenge eisen verbonden aan het werken met deze genetisch gemodificeerde micro-organismen. Niet alleen vanwege het mogelijke besmettingsgevaar van werknemers, maar ook omdat het van invloed kan zijn op de algemene volksgezondheid en op het milieu.
- Toxinen – Een toxine is een giftige stof die uit de natuur komt. Er zijn verschillende soorten toxinen die kunnen voorkomen in een werkomgeving. Als er sprake is van contact met deze toxinen, kan dat gezondheidsproblemen veroorzaken.
- Zoönosen – Dit zijn besmettelijke ziekten die van dieren op mensen worden overgedragen. Wereldwijd zijn er een paar honderd bekend. Mensen kunnen deze ziekten oplopen door contact met (dode) dieren, dierlijk materiaal, besmet voedsel, parasieten (teken, vlooien, muggen, vliegen) of door contact met besmette grond en het inademen van deeltjes in de lucht (aërosolen), bijvoorbeeld bij het schoonspuiten van stallen. Lees hier meer over in het Vademecum zoönosen en het Emerging Zoonoses, beiden van het RIVM.
Zie ook
COVID-19
Het ziekteverloop van een besmetting met COVID-19 verschilt van mens tot mens: sommigen worden niet of nauwelijks ziek van het virus, anderen kunnen ernstig ziek worden en/of lang klachten houden. Zowel de ziekte zelf als algemene of persoonlijke beschermingsmaatregelen zoals thuiswerken en vaccineren kunnen van invloed zijn op uw werksituatie.
Thuiswerken
Thuiswerken is een van de manieren om de verspreiding van het coronavirus tegen te gaan, omdat het helpt om het aantal contactmomenten te verminderen. Om gezond en veilig thuis te kunnen werken, moet de werkgever zorgen voor een geschikte werkplek thuis.
Over de verantwoordelijkheden van werkgever en werknemer bij thuiswerken leest u meer in het dossier Vitaal Thuiswerken.
Risico-inventarisatie en -evaluatie
De risico-inventarisatie en -evaluatie (RI&E) gaat over gezond en veilig werken. Daarin horen ook risico’s op besmettingen, zoals risico’s op besmetting en verspreiding van COVID-19.
Als er aanpassingen worden doorgevoerd in werkplekken en werkprocessen, heeft dit effect op de RI&E en het plan van aanpak. Het gaat dan om directe risico’s zoals besmetting en ziekte, maar ook risico’s die indirect aan COVID-19 gerelateerd zijn. Denk daarbij aan agressie van derden op de werkvloer of RSI-klachten als gevolg van een slecht ingerichte werkplek bij werknemers die thuiswerken. Wellicht zijn bepaalde risico’s momenteel juist verlaagd, bijvoorbeeld doordat er minder mensen op de werkplek zijn, of doordat bepaalde werkzaamheden minder worden uitgevoerd. Maar het kan ook zijn dat er nieuwe risico’s ontstaan als gevolg van wijzigingen, bijvoorbeeld doordat medewerkers alleen werken of minder ruimte hebben om te werken.
Veel branches en bedrijven werken met speciale corona-protocollen. Het is belangrijk om hierbij de link met de RI&E te maken. Identificeer de risico’s en maatregelen tegen corona voor de organisatie en stel een plan van aanpak op.
Effecten na blootstelling aan biologische agentia
De gevolgen van blootstelling aan biologische agentia kunnen sterk variëren van beperkte luchtwegirritatie tot ernstige ziekte met in sommige gevallen kans op dodelijke afloop.
Biologische agentia kunnen verschillende soorten ziekten veroorzaken:
- infecties door parasieten, virussen of bacteriën
- allergieën door blootstelling aan organische schimmelstoffen, zoals meelstof en dierlijke huidschilfers, enzymen en mijten
- vergiftiging of toxische effecten
Sommige biologische agentia kunnen kanker veroorzaken of schadelijke gevolgen hebben voor de ongeboren vrucht. Micro-organismen kunnen het menselijke lichaam via een beschadiging in de huid of de slijmvliezen binnendringen. Zij kunnen worden ingeademd of ingeslikt, waardoor infecties in de bovenste luchtwegen of het spijsverteringsstelsel kunnen ontstaan. In enkele gevallen kunnen ook dierenbeten of wonden veroorzaakt door een injectienaald leiden tot blootstelling aan biologische agentia.
Soorten infecties
Typische beroepsinfecties zijn hepatitis A en B, TBC, de ziekte van Lyme, slagerswratten of de champignonkwekers ziekte. Voorbeelden van andere ziekten die door biologische agentia veroorzaakt kunnen worden zijn voedselvergiftiging, diarree, malaria en melkerskoorts.
Incubatietijd
Soms treedt het effect pas na lange tijd op. Een incubatietijd van enkele dagen na de blootstelling is heel gebruikelijk. Het kan zelfs jaren duren voor een ziekte zich openbaart, zoals bij hepatitis C of bij de ziekte van Lyme.
Zie ook
- Basis-inspectiemodule (BIM) over blootstelling aan biologische agentia – Deze module van de Nederlandse Arbeidsinspectie kan worden gebruikt in situaties waar een kans is op blootstellin aan biologische agentia. Deze werksituaties kunnen zeer divers zijn en in allerlei sectoren voorkomen.
Maatregelen bij het werken met biologische agentia (preventie)
Vanwege de bijzondere positie van biologische agentia is een speciaal bio-arbeidshygiënische strategie gelanceerd (BAH). Deze lijkt heel sterk op de normale arbeidshygiënische strategie die de Arbowet voorschrijft, maar heeft een aantal specifieke elementen die van belang zijn bij biologische agentia, vooral als het gaat om infectieziekten.
Belangrijke maatregelen om veilig en gezond te werken met biologische agentia
-
- Bestrijding bij de bron
- Bestrijd het agens zelf als vervangen niet mogelijk is. De normale arbeidshygiënische strategie gaat uit van vervangen en dat is bij biologische agentia zelden mogelijk.
- Voorkom dat het agens in de bron komt.
- Aanpak van de groeifactoren van het agens.
- Verwijderen van de bron.
- Desinfectie, ultraviolet licht, chemisch (soms extra gevaar).
- Technische maatregelen
- Afscherming.
- Maak contacten overbodig: kranen en deuren automatiseren (‘no touch’).
- Geen katoenen, maar papieren handdoeken.
- HEPA-filters, sluizen, overdruk, onderdruk etc.
- Biohazardkasten.
- Pas alleen niet-poreuze materialen toe.
- Organisatorische maatregelen
- Zo min mogelijk mensen bij de bronnen laten komen.
- Inrichten schoon/vuil zones.
- Beperking aantal werknemers op een bepaalde plek.
- Houd speciaal de risicogroepen (bijvoorbeeld zwangeren) weg van de bron.
- Zorg voor optimale en continue voorlichting.
- Houd alles goed schoon.
- Hygiënische maatregelen
- Gedrag: mogelijk geen hand geven, neuspeuteren, ogen wrijven.
- Handen wassen, douchen.
- Contacten vermijden.
- Persoonlijke beschermingsmiddelen
- Afscherming huid: handschoenen, kleding, schort, haarkapje, schoenen.
- Afscherming ogen: brillen, schermen.
- Afscherming ademwegen: maskers, mondkapjes (mond/neus).
- Gebruik juiste gereedschappen, zoals veilige naaldsystemen.
- Vaccinatie
- Voor zover mogelijk worden aan iedere werknemer die nog niet immuun is voor de biologische agentia waaraan hij/zij is of kan worden blootgesteld, een vaccinatie aangeboden.
- Let op dat vaccinatie liefst voor een eventuele zwangerschap wordt gegeven wegens mogelijke impact op ongeborene en andere reactie van het vaccin bij de zwangere.
- Bij mensen werkzaam in de zorg, maar ook mantelzorgers, ter voorkoming dat patiënten en cliënten besmet worden.
- Speciale behandeling na blootstelling; het zogenaamde post expositie protocol
- Het preventief geneesmiddelen toedienen zonder dat de ziekte al aangetoond kan worden (HIV, Hepatitis B). Bijvoorbeeld na een prikaccident met een injectienaald. Simpel gezegd is het streven van PEP het biologische agens (bijvoorbeeld hepatitis B of HIV) weg te vangen uit het lichaam, voordat het zich kan nestelen, met alle schadelijke gevolgen van dien.
- Van sommige anti-retrovirale middelen is bekend dat ze een schadelijk effect kunnen hebben op het ongeboren kind.
- Therapie bij ziekte
- Snel diagnose (laten) stellen: als werknemers waarschuwingssignalen leren kennen, kunnen ze de behandelend arts snel op het goede spoor zetten.
- Zo snel mogelijk aanbieden van medische behandeling.
- Bestrijding bij de bron
Let op groeifactoren van micro-organismen
Uitschakelen van de grootste bron van biologische agentia is lang niet altijd mogelijk. Ze kunnen namelijk bestaan uit (sporen van) micro-organismen die bijna overal in de buitenlucht voorkomen of in grondstoffen die voor het productieproces noodzakelijk zijn. Wel kan in sommige gevallen voorkomen worden dat de omvang waarin de biologische agentia zich voordoen groot wordt (groeifactoren).
De belangrijkste groeifactoren voor micro-organismen zijn water, voedsel en temperatuur. Dat zijn ook de groeifactoren waarbij relatief goed kan worden ingegrepen. Water is vaak de belangrijkste factor. Vochtige omstandigheden moeten over het algemeen worden voorkomen, bijvoorbeeld door de aanwezigheid van water of condens in gebouwen of processen te voorkomen.
Vaccinatie
Als uit de RI&E blijkt dat er een risico bestaat voor de gezondheid van werknemers terwijl er effectieve inentingen in Nederland beschikbaar zijn, dan moet de werkgever een vaccinatie aanbieden (Arbobesluit artikel 4.91).
- Vaccinatie is bedoeld als aanvulling op andere maatregelen en komt nooit in de plaats hiervan.
- De bedrijfsarts adviseert de werkgever op basis van risico-inventarisatie over het werk.
- De werkgever biedt vaccinatie aan werknemer aan met de begeleidende individuele voorlichting. De werknemers moeten op de hoogte worden gebracht van de voor- en nadelen en worden bijgestaan in een individuele afweging.
- De vaccinatie maakt onderdeel uit van de arbeidsgeneeskundige begeleiding en vindt plaats onder de verantwoordelijkheid van een bedrijfsarts.
- De werknemer beslist over het al dan niet vaccineren.
- De aan de werknemers aangeboden vaccinatie mag geen kosten voor hen met zich meebrengen. De kosten van vaccinatie zijn voor de werkgever.
- Er kan een vaccinatiekaart worden opgesteld, die aan de betrokken werknemer en op verzoek aan de bevoegde autoriteiten wordt afgegeven.
Zie ook
- Kenniscentrum Infectieziekten en arbeid (KIZA), met daarop onder andere Bio-ArbeidsHygienische (BAH) kaarten.
- Blauwdruk RI&E biologische agentia op de website van het NKAL (Nederlands Kenniscentrum Arbeid en Longaandoeningen). De blauwdruk RI&E biologische agentia is een instrument in MS-Excel die gebruikt kan worden om een RI&E biologische agentia uit te voeren in bedrijven. Het instrument is vooral gericht op infectieuze agentia.
- Basisinspectiemodule ‘Werken met biologische agentia in laboratoria’ van de Nederlandse Arbeidsinspectie
- Basisinspectiemodule ‘Blootstelling aan biologische agentia’ van de Nederlandse Arbeidsinspectie
- Dossier Biologische Agentia – Arbokennisnet
- Voor vragen en antwoorden over teken en tekenbeten heeft de RIVM de applicatie Tekenbeet ontwikkeld.
Prikaccidenten
‘Prikaccidenten’ zijn prik-, snij-, bijt- en spatongelukken. Hierbij kunnen er door bloed-bloedcontact ziekteverwekkers zoals virussen worden overgedragen. Veel mensen onderschatten de risico’s hiervan.
Omdat de meeste prikaccidenten in de zorgsector voorkomen, wordt er gewerkt met een Europese richtlijn die werkgevers van alle lidstaten verplicht om hun medewerkers te beschermen tegen prikaccidenten. In Nederland is dat vertaald in het Arbeidsomstandighedenbesluit, artikel 4.97.
Daarin staan de volgende maatregelen die genomen kunnen worden ter bescherming van de veiligheid en de gezondheid van de betrokken werknemers:
- het opstellen en bekend maken van ontsmettings- en desinfectieprocedures aan de betrokken werknemers;
- het opstellen en bekend maken van procedures voor een veilige omgang met en verwijdering van met biologische agentia besmet afvalmateriaal;
- het ter beschikking stellen van een medisch hulpmiddel met ingebouwd veiligheids- en beschermingsmechanisme, indien er gevaar is voor letsel of infectie door een scherp medisch hulpmiddel;
- het verbod op het terugzetten van doppen op injectienaalden.
Dit artikel 4.97 is ook van toepassing op vrijwilligers.
Toelichting veiligheidsnaalden:
Door de grote vraag naar naalden voor de COVID-19 vaccinatie is wereldwijd de markt voor veilige naaldsystemen ontwricht. Gebruik van een medisch hulpmiddel met ingebouwd veiligheids- en beschermingsmechanisme (zoals een veiligheidsnaald) is verplicht als dat uit de risico-inventarisatie en –evaluatie blijkt of, indien de werkgever het prikgevaar niet in de RI&E benoemt, omdat dat voortvloeit uit de stand van de wetenschap (artikel 4.97, lid Arbobesluit; artikel 3 Arbowet). Bij gebruik van conventionele naalden, is de werkgever verplicht om maatregelen te nemen.
Dit betekent:
- het hanteren van een goede werkwijze (niet terugzetten van doppen op naalden);
- het gebruiken van de juiste hulpmiddelen (naaldencontainers);
- het geven van duidelijke werkinstructie en procedures (waaronder een postexpositieprotocol) en het houden van toezicht daarop.
Dit moet zo nodig worden aangevuld met extra maatregelen die in het specifieke geval nodig zijn. De werkgever is daarvoor verantwoordelijk.
Risico
Er bestaat altijd een risico voor mensen die kans hebben gebruikte naalden op hun werk tegen te komen, zoals dat het geval is bij huisartsen, thuiszorgmedewerkers, ouderenverzorgers en schoonmakers.
Acties voor werkgevers
Een werkgever kan verschillende maatregelen nemen om prikaccidenten te voorkomen:
- Beschikbaar stellen van veilige naaldsystemen.
- Aanbieden van informatie en training over juist naaldgebruik, bijvoorbeeld met instructiefilmpjes van de leverancier.
- Verzorgen van intern toezicht op toepassing van de maatregelen.
- Beperken van het aantal werknemers dat tijdens het werk met naaldsystemen in aanraking komt.
- Beschikbaar stellen van veiligheidsbrillen en handschoenen om spatincidenten te voorkómen.
- De grootst mogelijke orde en netheid op de werkplaats realiseren.
- Beschikbaar stellen van voldoende naaldcontainers om te voorkómen dat medewerkers met naalden moeten lopen.
- Een noodplan opstellen zoals voorgeschreven in het Arbobesluit en dit schriftelijk beschikbaar stellen op de werkplek.
- Faciliteren dat een deskundige, zoals een bedrijfsarts, binnen twee uur na een prikaccident een professionele risico inschatting kan uitvoeren en indien nodig de medewerker een behandeling kan laten ondergaan. Als er een kans bestaat op een hiv-besmetting, moet de medewerker PEP (post-expositie profylaxe) aangeboden krijgen.
- Opnemen van het risico van prikaccidenten in de risico-inventarisatie en –evaluatie.
- Aanbieden van een hepatitis B-vaccinatie aan al het personeel dat enig risico loopt op een prikaccident.
Deze maatregelen gelden voor al het personeel dat in aanraking komt met scherpe hulpmiddelen, ook bijvoorbeeld schoonmaakpersoneel, tijdelijke krachten, coassistenten, leerlingen en stagiaires.
Acties voor werknemers
Een werknemer kan veel doen om de eigen gezondheid en veiligheid te vergroten. De verantwoordelijkheid voor een juist gebruik van veilige naaldsystemen ligt mede bij diegene zelf. Wat kan een werknemer in de zorg doen?
- Veilige naaldsystemen en naaldbekers gebruiken volgens de instructie.
- Trainingen en instructie volgen.
- Collega’s wijzen op het risico.
- De werkgever vragen om veilige naaldsystemen.
- In gesprek blijven met de leidinggevende over veiligheid en gezondheid.
Acties voor werknemers
Een werknemer kan veel doen om de eigen gezondheid en veiligheid te vergroten. De verantwoordelijkheid voor een juist gebruik van veilige naaldsystemen ligt mede bij diegene zelf. Wat kan een werknemer in de zorg doen?
- Veilige naaldsystemen en naaldbekers gebruiken volgens de instructie.
- Trainingen en instructie volgen.
- Collega’s wijzen op het risico.
- De werkgever vragen om veilige naaldsystemen.
- In gesprek blijven met de leidinggevende over veiligheid en gezondheid.
Risico’s en gevolgen
Prikaccidenten vormen een risico voor overdracht van virussen zoals hiv, het hepatitis B- en C-virus, maar leiden ook zonder een besmetting tot hoge persoonlijke, maatschappelijke en bedrijfsmatige kosten.
De gevolgen van een prikaccident zijn dus groot:
- Iemand die zich prikt moet handelen volgens het noodplan zodat er snel een inschatting gemaakt kan worden of er mogelijk hiv, het hepatitis B- of C-virus is overgedragen. Binnen twee uur moet een deskundige, zoals een bedrijfsarts, een risico inschatting uitvoeren om dit vast te stellen. Als bekend is welke patiënt de bron is, kan het voldoende zijn om het dossier te controleren, maar soms moet de patiënt zelf worden onderzocht.
- In geval van prikken tijdens opruimwerkzaamheden is de bron vaak onbekend. Dat maakt het complexer, omdat de deskundige dan geen inschatting kan maken van het risico.
- Als er een kans bestaat op een hiv-besmetting, moet de medewerker PEP (post-expositie profylaxe) toegediend krijgen. De geprikte medewerker blijft lang in onzekerheid over een eventuele infectie; pas na zes maanden is er een definitieve uitslag.
- Zelfs als er uiteindelijk niets aan de hand blijkt te zijn, is er persoonlijke schade in de vorm van stress, onzekerheid en te nemen veiligheidsmaatregelen privé en op het werk. De medicijnen kunnen heftige bijwerkingen geven. De werkgever maakt kosten als gevolg van tijdelijke uitval, inzet van de bedrijfsarts en mogelijk beperkte inzet van de medewerker.
Zie ook
- Landelijke Richtlijn Prikaccidenten – Deze richtlijn beschrijft het uit te voeren beleid na prik-, bijt-, snij- en spataccidenten met bloed en andere lichaamsvloeistoffen.
- RIVM dossier over Prikaccidenten
- Veilig werken met naalden: ‘Het is wél je eigen lijf’ – Dit artikel is geschreven in kader van een campagne van de Nederlandse Arbeidsinspectie rond het gebruik van veilige naaldsystemen in de thuiszorg en het terugdringen van het aantal prikaccidenten.

