Werken met gevaarlijke stoffen
Wist jij dat je ziek kunt worden van je werk? Als je blootgesteld wordt aan gevaarlijke stoffen kun je allergische reacties krijgen. Of zelfs ernstige longziektes en kanker. Elk jaar overlijden 3.000 mensen in Nederland aan ziektes die ze door gevaarlijke stoffen op het werk hebben opgelopen. Het gevaar schuilt in veel meer stoffen dan je denkt: houtstof, dieselrook, kwartsstof, lasrook, verfproducten, meelstof, lak, oplosmiddelen, enzovoort.Veilig werken is dus extra belangrijk als er gevaarlijke stoffen in het spel zijn. Op deze pagina vind je regels en systemen die het werken met gevaarlijke stoffen in goede banen leiden. Op deze pagina in de onderwerpen staat meer informatie over het werken met gevaarlijk stoffen.
Meer weten?
Heeft u vragen over de producten en/of diensten van 247veiligwerken? Stel uw vraag op dit formulier. Afhankelijk van uw vraag, krijgt u binnen 24 uur een reactie.
Wilt u direct een medewerker spreken? Stel dan uw vraag via WhatsApp: 06 5122 8460. Dat kan 7 dagen in de week. Tussen 9.00 uur en 20.00 uur.
Aanvullende risico-inventarisatie en -evaluatie (ARIE)
Elke organisatie moet beschikken over een risico-inventarisatie en -evaluatie (RI&E). Zijn er bepaalde gevaarlijke stoffen aanwezig, dan moet de werkgever een aanvullende risico-inventarisatie en -evaluatie (ARIE) opstellen. Dat is vastgelegd in hoofdstuk 2, afdeling 2 van het Arbobesluit. In dat hoofdstuk is de regeling opgenomen die is gericht op twee zaken: op voorkoming en beperking van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken én de gevolgen daarvan voor de veiligheid en de gezondheid van werknemers.
Vallen werkgevers onder deze regeling, dan moeten ze onder andere een aanvullende risico-inventarisatie en -evaluatie opstellen. Die moet passen bij de werksituatie in het bedrijf en de risico’s die zijn verbonden aan de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen. De werkgever inventariseert de risico’s en stelt vervolgens maatregelen op om die risico’s tegen te gaan. Naast het opstellen van de ARIE heeft de werkgever meer te doen. Wanneer de werkgever ARIE-plichtig is, dan moet deze in elk geval de volgende zaken schriftelijk vastleggen:
- preventiebeleid voor zware ongevallen (ook wel: veiligheidsbeleid);
- identificatie van gevaren en evaluatie van gevaren en risico’s;
- (ongeval)scenario’s;
- veiligheidsbeheerssysteem (VBS);
- intern noodplan;
- beheersmaatregelen.
Zie ook
Blootstellingsmeting van gevaarlijke stoffen
Als werknemers tijdens het werk blootgesteld kunnen worden aan gevaarlijke stoffen, dan is de werkgever verplicht de aard, mate (hoeveelheid) en de duur van blootstelling te beoordelen, zodat de gevaren voor de werknemers kunnen worden bepaald.
Voor arbeid waar mogelijk blootstelling aan gevaarlijke stoffen plaatsvindt, moet de werkgever ervoor zorgen dat een Periodiek Arbeidsgezondheidskundig Onderzoek (PAGO) wordt aangeboden voordat de mogelijke blootstelling plaatsvindt.
Daarnaast dient in alle gevallen waarbij werknemers kunnen worden blootgesteld aan gevaarlijke stoffen, vooraf gekeken te worden of de blootstelling voorkomen kan worden. Dit wordt gedaan door:
- een goed ontwerp en organisatie van arbeidssystemen;
- het gebruik van adequate middelen en voorzieningen (ook bij onderhoud); en
- het invoeren van passende werkmethoden (ook voor afvalstromen).
Blootstelling dient vervolgens zoveel mogelijk beperkt te worden door het minimaliseren van het aantal werkenden dat wordt blootgesteld, het minimaliseren van de mate en de duur van de blootstelling, het voorkomen of minimaliseren van huidcontact en oogcontact en het beperken van de hoeveelheid gevaarlijke stoffen op de werkplek. Daarbij dient arbeid slechts gedaan worden door personen die fysiek en psychisch in staat zijn de gevaren te onderkennen en voorkomen. Hiertoe geeft de werkgever doeltreffende voorlichting en onderricht en zorgt hij voor intern toezicht.
Bij de blootstellingsbeoordeling wordt in ieder geval vastgesteld om welke gevaarlijke stoffen het gaat. Dit kan om ingekochte stoffen gaan, maar ook over stoffen die tijdens het werk ontstaan. Er moet worden vastgesteld wat de gevaren van de stoffen zijn, in welke situaties de blootstelling kan optreden (ook redelijkerwijs te voorziene gebeurtenissen ook al zijn ze mogelijk onbedoeld) en hoe groot de blootstelling dan is.
Methoden voor vaststelling
Het blootstellingsniveau kan worden bepaald door onder meer:
- metingen door een deskundige;
- onderbouwde schattingen (bijvoorbeeld met gevalideerde computermodellen, zoals bij de Stoffenmanager). In dit document van de Nederlandse Arbeidsinspectie vind je online hulpmiddelen om blootstelling te beoordelen;
- vergelijkingen met meetresultaten van vergelijkbare situaties door een deskundige.
Werkgevers mogen zelf een methode kiezen. Advies over de toe te passen methode is te verkrijgen bij gespecialiseerde arbo-adviesbureaus of bij arbodiensten.
De uitkomst van de blootstellingsbeoordeling moet worden vergeleken met één van de volgende waardes:
- een wettelijke grenswaarde.
- een zelf afgeleide gezondheidskundige waarde.
Of de eigen situatie moet worden vergeleken met een overeenkomstige bedrijfssituatie, waarvoor een veilige werkwijze is vastgesteld.
Als de blootstelling na deze vergelijking hoger blijkt te zijn dan de grenswaarde, is er sprake van een onvoldoende beheerste situatie en moeten direct maatregelen worden genomen.
Blootstellingsroute
Een gevaarlijke stof kan op verschillende manieren in het lichaam komen. Dit kan door het inademen van verontreinigde lucht, maar ook door opname van de stof door de huid of door het inslikken van de stof. Dit laatste kan ook onbewust gebeuren, door eten, roken en drinken met vieze handen. Daarom moet bij het bepalen van het blootstellingsniveau niet alleen uitgegaan worden van inademing, maar ook rekening gehouden worden met andere blootstellingsroutes.
Lijst van werknemers
Bij werk met de kans op blootstelling aan kankerverwekkende stoffen, of mutagene stoffen of stoffen die vrijkomen bij een kankerverwekkend proces geldt een aanvullende verplichting. De werkgever zorgt voor een lijst met de namen van werknemers die (kunnen) worden blootgesteld aan kankerverwekkende stoffen, inclusief de blootstelling die zij hebben ondergaan. Deze lijst moet worden bewaard.
Abnormaal blootstellingsniveau
Bij een abnormaal blootstellingsniveau wordt er ingegrepen en wordt de medezeggenschap onmiddellijk geïnformeerd.
Explosieveiligheid/ATEX
De eenvoudigste manier om explosieveiligheid te garanderen is ervoor te zorgen dat er geen brandbare stof aanwezig is. Is de stof echter noodzakelijk en niet vervangbaar door een stof die minder explosierisico heeft? Dan moeten de omstandigheden in een explosieve atmosfeer worden beheerst.
Ontstaan van een explosie
Explosiegevaar is aanwezig zodra een mengsel van lucht en een brandbare stof (in de vorm van gassen, dampen, nevels of stof) onder atmosferische omstandigheden wordt ontstoken en na ontsteking uitbreidt totdat alle brandbare stof verbrand is. Het explosiegevaar kan zich uiten in drie vormen:
- gasexplosiegevaar
- nevelexplosiegevaar
- stofexplosiegevaar
Gasexplosiegevaar
Wanneer brandbare gassen in de atmosfeer vrijkomen, vermengen ze zich direct met de lucht die voor circa 21% uit zuurstof bestaat. Als de concentratie van de brandbare stof in het ontstane gasmengsel tussen de onderste en de bovenste explosiegrens ligt, dan kan het mengsel ontploffen als het wordt ontstoken.
Nevelexplosiegevaar
Een vloeibare brandbare stof zal afhankelijk van de dampspanning in meerdere of mindere mate verdampen en zal dus met de lucht een ontplofbaar mengsel vormen. De snelheid waarmee damp wordt gevormd en de concentratie boven het vloeistofoppervlak worden hoger naarmate de temperatuur van de vloeistof hoger is. Zodra de vloeistof een temperatuur boven zijn vlampunt heeft, ligt die concentratie boven de LEL (Lower Explosive Limit) en is het mengsel ontsteekbaar. Wanneer een vloeistof wordt verstoven, ontstaan zeer kleine druppeltjes, oftewel nevel. Hoe kleiner de druppeltjes zijn, hoe stabieler de nevel is, en des te meer deze zich als een gas gedraagt en vervolgens op een overeenkomstige manier kan ontploffen: nevelontploffing.
Stofexplosiegevaar
Voor het optreden van een stofontploffing is het nodig dat een brandbare vaste stof in fijn verdeelde vorm (denk hierbij aan poeder) wordt opgewerveld en intensief met lucht (of een ander zuurstofhoudend gas) wordt gemengd alvorens te worden ontstoken.
Beroepsgroepen
Werkgevers die te maken krijgen met explosiegevaar zijn actief binnen branches zoals de (petro)chemie, de verfindustrie, de papierindustrie, de voedingsmiddelenindustrie en de houtverwerkende industrie. De specifieke beroepen waaraan gedacht moet worden, zijn die beroepen die betrokken zijn bij het primaire proces van het bedrijf zoals: operators van installaties en machines, installateurs, onderhoudsmonteurs en logistiek medewerkers.
Wanneer is er gevaar?
Gasexplosiegevaar
Het meten van gasexplosiegevaar kan worden uitgevoerd met een explosiemeter (LEL-meter). Op basis van deze meting kan direct worden vastgesteld of er sprake is van explosiegevaar.
Stofexplosiegevaar
Er is geen meetinstrument te koop voor het meten van de concentratie van een stofwolk. In de praktijk wordt de regel aangehouden dat een ontplofbare wolk kan worden herkend aan: “een zicht minder dan 1 meter.” Stofexplosiegevaar is ook aanwezig wanneer er voldoende stofafzetting van brandbare stof plaatsvindt. In de meeste gevallen is een stoflaagdikte van 0,1 millimeter al voldoende om een ontplofbaar stof-luchtmengsel te creëren. Een praktische richtlijn is daarom dat stofexplosiegevaar aanwezig is als men zijn voetstappen op de vloer kan zien.
Wettelijke verplichtingen
De werkgever is op grond van de Arbowet verplicht een beleid te voeren dat erop gericht is de werknemers te beschermen tegen explosiegevaar. Het Arbeidsomstandighedenbesluit (artikel 3.5 a-f) bevat de bepalingen van de Europese richtlijn 1999/92/EG (ook wel bekend als ATEX (Atmosphères Explosibles) 153). Hierin staan de verplichtingen rondom explosiegevaar. De daaraan verbonden risico’s voor de werknemer moeten schriftelijk worden vastgelegd in een zogenaamd explosieveiligheidsdocument, dat minimaal bestaat uit:
- een nadere risicoanalyse;
- een gevarenzone-indeling;
- passende technische en organisatorische maatregelen;
- voorlichting van de werknemers.
Op de website van de Nederlandse Arbeidsinspectie is er voor Besluit risico’s zware ongevallen (Brzo)- en Aanvullende Risico-Inventarisatie en -Evaluatie (ARIE)-bedrijven een checklist te downloaden om het explosieveiligheidsdocument op volledigheid te toetsen.
Voor fabrikanten en importeurs van apparatuur
De regels voor producten die bestemd zijn voor gebruik van apparatuur in explosieve atmosferen staan in de ATEX-richtlijn 114. Deze zijn opgenomen in het Warenwetbesluit Explosieveilig Materieel. In de ATEX Guide Third Edition staat hierover meer informatie.
Maatregelen om explosiegevaar tegen te gaan
In algemene zin kan zowel gas- als stofexplosiegevaar worden voorkomen door:
- Het vervangen van de brandbare stof door een stof met mindere en/of geen brandbare eigenschappen.
- Een brandbare stof binnen de omhulling/proces te houden en niet op te laten mengen met de omgeving van de installatie.
- Het werken onder ventilatiecondities waardoor explosiegevaar kan worden uitgesloten omdat de concentratie van de onderste explosiegrens niet bereikt kan worden.
- Het werken onder zuurstofarme condities (inertiseren) waardoor explosiegevaar kan worden uitgesloten.
- Repressief: het wegnemen van ontstekingsbronnen op plaatsen waar explosiegevaar zich kan voordoen of de ontstekingsbronnen laten voldoen aan een passend beschermingsniveau zodat de kans op ontsteking voldoende verlaagd wordt.
Specifiek het voorkomen van stofexplosiegevaar kan plaatsvinden door invulling van de volgende doelstellingen:
- Preventief: zorg ervoor dat geen brandbaar stof kan worden opgewerveld op plaatsen waar potentiële ontstekingsbronnen kunnen zijn (denk hierbij aan schoonhuishouden).
- Repressief: zorg ervoor dat (als preventie niet mogelijk is of faalt) een stofwolk niet ontstoken wordt door gebruik te maken van explosieveilig materiaal.
- Beheersing: zorg ervoor dat (als preventie en repressie onmogelijk zijn of falen) de door een ontploffing veroorzaakte schade beperkt blijft (denk hierbij aan een explosieluik) en zorg ervoor dat een eerste kleine ontploffing niet kan leiden tot een wellicht veel zwaardere secundaire ontploffing.
Zie ook
Gevaar etikettering
Volgens de Europese regels voor het werken met gevaarlijke stoffen (Registratie, Evaluatie, Autorisatie en restrictie van Chemische stoffen, REACH) moeten producenten én verkopers weten welke gevaarlijke stoffen in producten zitten. Een etiket op de verpakking van een gevaarlijke stof geeft de eerste informatie die noodzakelijk is om er zonder risico’s mee te kunnen werken.
Wanneer een etiket ontbreekt op de verpakking, moet de werkgever direct contact opnemen met de leverancier. Naast een etiket moet de leverancier vaak een Veiligheidsinformatieblad (VIB) leveren.
De eisen aan het etiket voor stoffen en mengsels die in de handel gebracht worden, staan in de CLP-Verordening (1272/2008) (CLP: gevaarsindeling, etikettering en verpakking). De REACH en CLP-helpdesk biedt meer informatie.
Daarnaast bevat de Arbeidsomstandighedenregelgeving ook de verplichting dat iedere stof/mengsel (als deze niet in de handel gebracht wordt) voorzien moet worden van een adequaat gevaarsetiket. De eisen staan in Arbeidsomstandighedenbesluit artikel 4.1.d.
Gevaarspictogrammen, H-zinnen en P-zinnen voor gevaarlijke stoffen
Op het etiket van gevaarlijke stoffen die in de handel gebracht worden, staan gevaarpictogrammen (met een signaalwoord) met H (hazard)- en P (precautionary)-zinnen. De gevaarspictogrammen geven het gevaar weer in de vorm van een plaatje (zoals een vlam, een doodshoofd in een ruit). De nummers van de H- en P-zinnen zijn in iedere taal gelijk.
In 2008 is de Verordening betreffende de indeling etikettering en verpakking van stoffen en mengsels (preparaten) vastgesteld (1272/2008). Door deze verordening is de oude wijze van gevaarsetikettering vervallen (met gevaarssymbolen, R (risico)- en S (safety)-zinnen).
H- en P-zinnen
Etiketten van stoffen en mengsels (preparaten) hebben het doel de gebruiker te informeren over de gevaren van het product en de te nemen veiligheidsmaatregelen.
Signaalwoorden
Onder een gevaarspictogram kan een signaalwoord geplaatst zijn zoals “gevaar” of “waarschuwing”.
Werkpleketikettering
Daarnaast bevat de Arbeidsomstandighedenregelgeving ook de verplichting dat iedere stof/mengsel (als deze niet in de handel gebracht wordt) ook moet worden voorzien van een etiket met dezelfde elementen (gevaarspictogram, H-zinnen, P-zinnen, signaalwoorden). De eisen staan in Arbeidsomstandighedenbesluit artikel 4.1.d.
Grenswaardestelsel gevaarlijke stoffen
Werkgevers moeten bepalen of er veilig met gevaarlijke stoffen wordt gewerkt. Dit kan door de blootstelling te vergelijken met de zogeheten grenswaarde van een stof. Blijft de concentratie gevaarlijke stof beneden de grenswaarde? Dan zijn werknemers over het algemeen voldoende beschermd. Als de concentratie de grenswaarde nadert, dan is het goed om maatregelen te nemen. Is de concentratie hoger dan de grenswaarde? Dan is het werken met gevaarlijke stoffen onveilig. Werkgevers zijn in dat geval verplicht om de concentratie te verlagen.
Wetgeving
- Arbobesluit artikel 4.3 van het Arbeidsomstandighedenbesluit beschrijft de wetgeving voor de grenswaarden.
- In de bijlage bij Arbobesluit artikel 4.19 van de Arboregeling worden de beschikbare publieke grenswaarden weergegeven.
Periodewaarden en ceiling-waarden
Grenswaarden zijn tijdgewogen gemiddelden over 8 uur, aangeduid met TGG-8u (tijd gewogen gemiddelde). Binnen deze periode van 8 uur kunnen concentratieniveaus voorkomen die hoger zijn dan de grenswaarde als getal. Deze moeten dan echter worden gecompenseerd door lagere waarden waardoor het 8 uur-gemiddelde niet wordt overschreden. De overschrijding mag echter nooit tot gezondheidsschade leiden.
Daarnaast kan bij een grenswaarde sprake zijn van een plafondwaarde (ceiling-waarde). Een dergelijke absolute blootstellingsgrens mag niet worden overschreden. In bepaalde gevallen wordt om praktische redenen de ceiling-waarde vertaald in een tijdgewogen gemiddelde grenswaarde over 15 of 30 minuten.
Ten slotte wordt in een aantal gevallen (de zogenoemde piekblootstellingen) een grenswaarde als tijdgewogen gemiddelde over 15 minuten vastgesteld (TGG-15min). Dit gebeurt om hoge blootstellingsniveaus gedurende korte tijd te voorkomen.
Zelf grenswaarden vaststellen
Voor de meeste stoffen zijn geen wettelijke grenswaarden opgesteld. Hebben werknemers te maken met een stof waarvoor geen wettelijke grenswaarde bestaat, dan is een werkgever verplicht een grenswaarde vast te stellen. Deze grenswaarde moet zo laag zijn dat er geen gezondheidsschade kan ontstaan bij de werknemers.
Het zelf vaststellen van grenswaarden past bij de omslag in de arbeidsomstandighedenzorg sinds de wijziging van de Arbowet 2007. De nieuwe wet bepaalt voornamelijk de doelen voor de veiligheid en gezondheid op de werkplek. Ondernemingen zijn grotendeels vrij in de keuze van middelen om deze doelen te realiseren. Deze keuzevrijheid is ook doorgevoerd bij het nieuwe grenswaardestelsel.
Van de bijna 1000 MAC-waarden (Maximaal Aanvaarde Concentraties) uit 2006 zijn er 120 overgenomen als wettelijke grenswaarden en zo’n 50 als wettelijke grenswaarden voor kankerverwekkende stoffen. Voor stoffen zonder wettelijke grenswaarden kan gebruikgemaakt worden van gezondheidskundige grenswaarden uit andere betrouwbare bronnen (ook private bronnen). Voor de stoffen waarvoor geen grenswaarde vastgesteld is, moet de werkgever zelf een veilige grenswaarde of een veilige werkwijze vaststellen.
Instrumenten om te raadplegen
- Voor meer informatie over werken met gevaarlijke stoffen kunt u terecht op de website Inspectiefocus van SZW.
- In de zelfinspectie gevaarlijke stoffen van de Nederlandse Arbeidsinspectie is meer informatie terug te vinden over het werken met en vaststellen van grenswaarden.
- In de Databank Grenswaarden Stoffen op de Werkplek van de Sociaal-Economische Raad (SER) kunt u opzoeken welke grenswaarde er is vastgesteld.
OPS: eenmalige financiële tegemoetkoming slachtoffers
Het Organo Psycho Syndroom (OPS), ook wel ‘schildersziekte’ genoemd, komt voor bij mensen die hebben gewerkt met vluchtige organische stoffen (VOS), ook wel oplosmiddelen genoemd.
Wat houdt OPS in?
Door het inademen van deze vluchtige organische stoffen is het mogelijk dat er beschadigingen optreden aan het centrale zenuwstelsel. De hersenaandoening die daaruit voortkomt wordt in de volksmond ‘schildersziekte’ genoemd, de medische term is organo psycho syndroom (OPS) of chronische encephalopathie veroorzaakt door oplosmiddelen (CSE). Deze aandoening komt vooral voor bij werknemers die in het verleden zijn blootgesteld aan veel te hoge blootstelling aan deze stoffen.
Tegenwoordig geldt voor veel toepassingen zoals binnenschilderwerk een vervangingsplicht zodat het gebruik van producten met hoge gehaltes aan oplosmiddelen niet meer is toegestaan en producten zonder oplosmiddelen of met lage gehaltes aan oplosmiddelen gebruikt moeten worden. Ook dan zijn goede voorzorgsmaatregelen van belang.
Financiële tegemoetkoming: hoe zit het in elkaar?
Vanaf 1 maart 2020 kunnen personen die als werknemer zodanig aan vluchtige oplosmiddelen zijn blootgesteld dat zij daardoor de aandoening OPS hebben opgelopen een aanvraag voor een financiële tegemoetkoming door de overheid indienen. Gedetailleerde informatie over de regeling en het indienen van een aanvraag voor een tegemoetkoming vindt u op het OPS-Loket. De inhoud van de wettelijke regeling kunt u opzoeken in de staatscourant.
De regeling wordt uitgevoerd door de Sociale VerzekeringsBank (SVB) in samenwerking met het Instituut Asbestslachtoffers die hiervoor een OPS-Loket heeft inricht.
Het ministerie van SZW heeft met de Stichting OPS en het Solvent Team van de Universiteit van Amsterdam samengewerkt bij het opstellen van de regeling en de informatievoorziening over de regeling.
Meer informatie:
- PERSBERICHT “Eindelijk erkenning”: ruim 500 werknemers met ‘schildersziekte’ OPS kunnen per 1 maart beroep doen op financiële tegemoetkoming.
- Uitvoeringsbrief financiële tegemoetkoming OPS-slachtoffers
- Beroepsziekten.nl
- Stichting OPS
- Informatie van het Nederlands Centrum voor Beroepsziekten over OPS
Opslag van gevaarlijke stoffen
Door de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen in een bedrijf kunnen risico’s bestaan of ontstaan. In veel bedrijven zijn gevaarlijke stoffen aanwezig op verschillende plaatsen. Denk aan werkvoorraden op of nabij de werkplek, restanten of afvalchemicaliën, en opslag van grotere werkvoorraden en van producten in magazijnen.
Wanneer de opslag van gevaarlijke stoffen niet aan de regels voldoet, kan er soms door één lekkende verpakking een keten van gebeurtenissen ontstaan, die leiden tot een calamiteit. Denk aan een corrosieve stof, waarvan de verpakking lekt en die de verpakking van een andere stof aanvreet. Als dat een vluchtige en brandgevaarlijke vloeistof is, ontstaat er brand- en explosiegevaar. Mogelijk treden er ook reacties op tussen de beide stoffen, die weer tot extra gevaar kunnen leiden. Om die reden zijn er aan de opslag van gevaarlijke stoffen allerlei eisen gesteld.
De opslagvoorzieningen voor (verpakte) gevaarlijke stoffen in een bedrijf moeten voldoen aan eisen die gepubliceerd zijn in PGS 15 (Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15). In PGS 15 zijn de eisen voor brandveiligheid, arbeidsveiligheid en milieuveiligheid samengevoegd.
Onderscheid kleine en grote opslagen
In PGS 15 is onderscheid gemaakt tussen kleine opslagen van gevaarlijke stoffen tot 10 ton en grote opslagen van gevaarlijke stoffen vanaf 10 ton. Er is geen onderscheid tussen de opslag van bestrijdingsmiddelen en overige gevaarlijke stoffen.
Uitzonderingen
De regels van PGS 15 gelden vanaf bepaalde ondergrenzen. Deze ondergrenzen liggen afhankelijk van de gevaaraspecten, de hoeveelheid werkvoorraad van de stof en de verpakking tussen de 1 en 250 kilogram of liter. Wel moeten deze stoffen nog steeds verantwoord worden opgeslagen. Dat betekent dat opslag niet op de werkvloer mag plaatsvinden, tenzij het om een werkvoorraad gaat.
Hoeveelheden tot 10 ton
Voor opslagvoorzieningen tot 10 ton volstaat in veel gevallen een basisvoorziening. In bepaalde opslagsituaties wordt vanaf een opslaghoeveelheid van 2,5 ton een brand-detectiesysteem met doormelding geëist.
Hoeveelheden boven de 10 ton
Bij opslagvoorzieningen boven de 10 ton bepalen de gevaaraspecten en het soort verpakkingsmateriaal van de stoffen het vereiste beschermingsniveau. Vanaf 10 ton worden drie verschillende beschermingsniveaus onderscheiden. Naarmate de brandbaarheid van een stof toeneemt, is een zwaarder beschermingsniveau noodzakelijk. In de regels van deze richtlijn is dit onder meer vertaald in de eisen die aan de aanwezigheid en uitvoering van branddetectie, bluswateropvang, en brandbestrijdings- en brandbeveiligingssystemen moeten worden gesteld.
Werkvoorraad
Er mag een werkvoorraad op de werkvloer aanwezig zijn. De werkvoorraad van de gevaarlijke stof moet in een gesloten verpakking zitten en niet meer zijn dan één dag verbruik of één batch. De werkvoorraad mag zich niet bevinden in de rijroute van vorkheftrucks of andere transportmiddelen.
Wettelijke verplichtingen
De voorschriften in PGS 15 zijn bindend. De werkgever mag andere maatregelen treffen dan PGS 15 voorschrijft. Bij de vergunningaanvraag moet de werkgever dan aantonen dat met die maatregelen minimaal een gelijkwaardige bescherming wordt bereikt van de brandveiligheid, de arbeidsomstandigheden en het algemene milieu.
Ongewilde gebeurtenissen moeten worden voorkomen, bijvoorbeeld door gevaarlijke hoeveelheden en concentraties te voorkomen of ervoor te zorgen dat er geen ontbrandingsbronnen aanwezig zijn die brand en explosies kunnen veroorzaken. Zie Arbobesluit artikel 4.6b. Daarnaast moeten procedures worden opgesteld, zodat maatregelen worden getroffen om de gevolgen van een ongewilde gebeurtenis zo veel mogelijk te beperken. Bijvoorbeeld door de werknemers direct in te lichten en ervoor te zorgen dat zij naar een veilige zone gaan. Zie Arbobesluit artikel 4.7.
In de risico-inventarisatie en -evaluatie (RI&E) moeten de risico’s worden beschreven die zich kunnen voordoen bij of door de opslag van gevaarlijke stoffen. Ook moet de werkgever aangeven welke beheersmaatregelen zijn getroffen. In sommige gevallen moet de werkgever een ongevallen- of calamiteitenscenario opstellen. In het BHV-beleid (bedrijfshulpverlening) en het bedrijfsnoodplan moet in elk geval ook rekening gehouden worden met de gevaren die door de aanwezige gevaarlijke stoffen kunnen bestaan of ontstaan. Bedrijven met installaties die gevaarlijke stoffen bevatten moeten vanaf bepaalde voorgeschreven (grote) hoeveelheden een aanvullende RI&E (ARIE) opstellen.
Voor opslag van explosiegevaarlijke stoffen en gebruik van apparatuur in explosiegevaarlijke atmosfeer gelden de regels van ATEX (Atmosphères Explosibles) 114 en ATEX 153.
Vaststellen veilige opslag
De module ’Opslag’ van de Stoffenmanager adviseert over een veilige opslag van gevaarlijke stoffen op basis van de hierboven genoemde PGS 15.
Maatregelen
Enkele voorschriften voor opslag van veelvoorkomende categorieën van gevaarlijke stoffen zijn:
- Verschillende gevaarcategorieën moeten gescheiden worden opgeslagen.
- Schadelijke, irriterende en corrosieve stoffen moeten worden opgeslagen in aparte kasten. Stoffen die met elkaar kunnen reageren (chloor en ammonia, basen en zuren, enzovoort, moeten van elkaar gescheiden worden gehouden: vloeistoffen elk in of op eigen lekbakken).
- Bijzondere categorieën risicovolle stoffen moeten worden opgeslagen in een veiligheidskast. Bij opslag van vloeistoffen moet de kast voorzien zijn van ventilatie, met afvoer op de buitenlucht. Voor vluchtige, brandgevaarlijke vloeistoffen is dat extra belangrijk.
- Brandgevaarlijke stoffen moeten worden opgeslagen in een minimaal 60 minuten brandwerende veiligheidskast.
- Toxische stoffen kunnen ook in een veiligheidskast worden opgeslagen. Zeer toxische stoffen moeten in een afgesloten apart deel van de veiligheidskast opgeslagen worden.
- Oxiderende stoffen moeten in kleine hoeveelheden in flessen/potten bewaard worden. Deze stoffen mogen niet opgeslagen worden in de buurt van organische stoffen, vanwege het explosiegevaar.
- Bestrijdingsmiddelen en bepaalde geneesmiddelen moeten verplicht in een afgesloten kast of ruimte worden opgeslagen. Daarbij dient een goed sleutelbeheer aanwezig te zijn.
- Er mag een werkvoorraad op de werkvloer aanwezig zijn, buiten de opslag. De werkvoorraad van de gevaarlijke stoffen moet in een gesloten verpakking zitten (voorzien van het juiste etiket, zie etikettering) en de hoeveelheid mag niet meer zijn dan het verbruik voor één dag of één batchvoorraad. De werkvoorraad moet op een veilige plaats staan. Deze mag zich bijvoorbeeld niet bevinden in de rijroute van vorkheftrucks of andere transportmiddelen.
REACH (Registratie, Evaluatie, Autorisatie en beperking van Chemische stoffen)
REACH is een Europese verordening over de productie van en handel in chemische stoffen. Het beschrijft de regels waar bedrijven en overheden zich aan moeten houden. REACH staat voor: ‘Registratie, Evaluatie, Autorisatie en restrictie van Chemische stoffen’. Deze verordening geldt voor alle landen binnen de Europese Unie.
Waarom en voor wie?
Het doel van de REACH-verordening (Verordening (EG) Nr. 1272/2008) is het beheersen van de risico’s van chemische stoffen, zoals de risico’s op ongevallen, gezondheidsschade bij werknemers en consumenten, en schade aan het milieu.
De volgende 3 groepen hebben in dit kader met REACH te maken:
- producenten/importeurs (in de verordening aangeduid als de ‘registranten’)
- distributeurs
- gebruikers
Zij hebben ieder verschillende rollen en verplichtingen binnen de REACH-verordening.
Verplichtingen en regels in REACH
REACH verplicht registranten (dat zijn de producenten en importeurs van een chemische stof onder REACH) en alle andere bedrijven in de toeleveringsketen van een chemische stof, om de eigenschappen en risico’s van chemische stoffen te vermelden. Ook zijn ze verplicht de maatregelen aan te geven waarmee de risico’s beheerst worden. Al deze partijen zijn dan ook verantwoordelijk voor het veilig gebruiken van de stof en het beperken van de risico’s van dat gebruik.
De regels om dit veilig gebruik te garanderen betreffen een zeer groot aantal chemische stoffen. Dit aantal wordt geschat op ongeveer 30.000 stoffen. En van veel van deze chemische stoffen zijn de effecten voor mens en milieu niet of niet volledig bekend.
Wat doet REACH?
REACH heeft in eerste instantie gevolgen voor registranten, maar heeft ook consequenties voor de gebruikers van deze chemische stoffen. Om de risico’s van het gebruik te beheersen, geven de partijen in de toeleveringsketen belangrijke informatie over deze stoffen, inclusief de vereiste beheersmaatregelen. Deze informatie moet de gebruiker meenemen bij het opstellen van juiste beheersmaatregelen voor de werkplek, zodat de werknemer geen risico heeft op gezondheidsschade.
In de arboregelgeving gaat het hierbij om onder andere het opstellen van de risico-inventarisatie en -evaluatie (RI&E) en het Plan van Aanpak, en het nemen van de juiste beheersmaatregelen. Op deze wijze grijpen REACH en de arboregelgeving op elkaar in.
Blootstellingscenario’s
Registranten moeten een blootstellingscenario opstellen voor ieder relevant gebruik van de chemische stof, de zogenaamde ‘REACH-exposure-scenario’s’. Zo’n exposure-scenario (ES) bevat een beoordeling van het risico van het werken met de chemische stof én de maatregelen die nodig zijn om dit op een veilige manier te kunnen doen.
Voor het opstellen van een blootstellingscenario is het noodzakelijk om te weten hoe er met een chemische stof wordt gewerkt en wat de blootstelling tijdens deze werkzaamheden is. Werkgevers doen er daarom goed aan met leveranciers te overleggen over welke gebruikswijzen worden geregistreerd en of de eigen gebruikswijze daar (al) bijzit.
REACH genereert meer informatie
Door REACH komt er meer informatie beschikbaar over stoffen, hun gevaren en hun risico’s. Zo kunnen werkgevers gerichter maatregelen treffen om deze risico’s te beperken. Ook moeten registranten aangeven op welke wijze veilig en gezond met de chemische stoffen kan worden gewerkt. Zo leveren registranten zogenaamde Veiligheidsinformatiebladen (VIB) mee. Indien de chemische stof in een hoeveelheid van 10 ton per jaar wordt geimporteerd of geproduceerd, zitten hier ook blootstellingscenario’s bij.
Handige tools en overige bronnen
- Informatie over REACH is te vinden op de website Chemische stoffen goed voorbereid van de Nederlandse REACH helpdesk. De REACH-helpdesk is bedoeld ter ondersteuning van het bedrijfsleven en wordt uitgevoerd door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) en het RIVM.
- De CLP-verordening (Verordening (EG) Nr. 1272/2008) gaat over de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels. Lees hier meer over op de website van de Nederlandse CLP/EU-GHS Helpdesk.
- Handreiking REACH en Arbo (december 2011) op de website van de Nederlandse Arbeidsinspectie. REACH-informatie ten behoeve van het Arbobeleid in bedrijven.
- Richtlijnen over REACH in het Engels: REACH guidance van de European Chemicals Agency
Transport van gevaarlijke stoffen
Om veilig werken mogelijk te maken en het milieu te ontzien, is het vervoer van gevaarlijke stoffen aan een groot aantal regels gebonden. De stof mag tijdens het vervoer in principe niet buiten de verpakking komen. De eisen waaraan de verpakking moet voldoen, verschillen per stof. Hoe gevaarlijker de stof, des te strenger de eisen.
Een voertuig of verpakking waarin gevaarlijke stoffen worden vervoerd, moet volgens vaste regels worden aangeduid. Tankwagens die gevaarlijke stoffen vervoeren bijvoorbeeld, moeten aan de voor- en achterzijde voorzien zijn van oranje borden. En binnenvaartschepen moeten zichtbaar blauwe kegels voeren. Zo kunnen controleurs en hulpdiensten de vervoerde stof herkennen.
Wetgeving
Voor het vervoer over de weg, over het spoor of via water of de lucht gelden aparte wetgeving en regels. Het ministerie van Infrastructuur en Milieu is verantwoordelijk voor deze regelgeving in Nederland.
Het ADR is een Europese overeenkomst voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg, waarin veel voorschriften zijn opgenomen. ADR is de afkorting van de Franse titel van het Europees verdrag voor het internationaal vervoer van gevaarlijke goederen over de weg: Accord Européen Relatif au transport international des marchandises Dangereuses par Route.
De voorschriften in het ADR zijn gebaseerd op de Recommendations on the Transport of Dangerous Goods, uitgegeven door de Verenigde Naties (ook bekend als ‘het oranje boek’, naar de kleur van de omslag). Ze worden bovendien zo veel mogelijk afgestemd op de voorschriften voor het transport per spoor (RID: Regulations concerning the International Carriage of Dangerous Goods by Rail) en op de binnenwateren (ADN(R): Accord européen relatif au transport international des marchandises Dangereuses par voies de Navigation intérieures (par Rhin)). Dit is nodig omdat bijvoorbeeld containers of opliggers van vrachtwagens niet alleen over de weg maar ook per spoor of over water vervoerd kunnen worden. De voorschriften voor het luchtvaarttransport zijn geregeld via de IATA.
Eisen aan voertuig en chauffeur
- Het voertuig dat gevaarlijke stoffen vervoert heeft een APK-keuringsbewijs nodig of een certificaat van goedkeuring en voertuiguitrusting.
- De chauffeur moet in het bezit zijn van een vakbekwaamheidscertificaat.
- De chauffeur moet medisch goedgekeurd zijn.
- In de voertuigcabine moeten schriftelijke instructies aanwezig zijn (de gevarenkaart). Deze gevarenkaart moet in de taal van het land van afzender, doorvoer en bestemming van de stoffen zijn opgesteld.
Arbeidsrisico’s
Bij het vervoer van gevaarlijke stoffen spelen verschillende arbeidsrisico’s een rol. Zo is blootstelling mogelijk aan de lading van gevaarlijke stoffen bij het laden en lossen, bij lekkages en bij reiniging van het vervoersmiddel.
Er treedt mogelijk fysieke belasting op tijdens het vervoer, bij het in- en uitstappen en bij het laden en lossen. Psychosociale belasting kan onder andere optreden door te weinig afwisseling in het werk, geringe ontwikkelings- of loopbaanmogelijkheden, door onregelmatige werktijden, door te krappe vervoersschema’s, en door lange wachttijden of files. Veiligheidsrisico’s zijn mogelijk bij het in- en uitstappen, bij het laden en lossen, bij reiniging of werken boven op de tankwagen.
TSB: tegemoetkoming ziek door gevaarlijke stoffen
Werkenden die ziek zijn geworden doordat ze tijdens hun werk in aanraking kwamen met gevaarlijke stoffen, kunnen een eenmalige financiële tegemoetkoming aanvragen. Mits ze voldoen aan bepaalde voorwaarden. Dit is mogelijk op grond van de Regeling tegemoetkoming stoffengerelateerde beroepsziekten (TSB).
De regeling is bedoeld voor werkenden met de ziekten:
- longkanker door asbest;
- allergisch beroepsastma;
- ‘schildersziekte’ (CSE).
Het gaat hier om werkenden die tijdens het werk in aanraking kwamen met asbest, allergenen of vluchtige oplosmiddelen. Zij kunnen in aanmerking komen voor de TSB als aannemelijk is dat hun ziekte is veroorzaakt door het werken met deze gevaarlijke stoffen.
Werkenden die denken recht te hebben op de tegemoetkoming kunnen zich aanmelden via de website van het Instituut Slachtoffers Beroepsziekten door Gevaarlijke stoffen (ISBG). Na aanmelding neemt het ISBG contact op om te vertellen wat er bij de aanvraagprocedure komt kijken.
Zie ook

